Het kweken van heemplanten

1. INLEIDING

Zoals in “Groen” van april 1977 werd gepubliceerd houdt de werkgroep Toepassing Inheemse Flora, zich bezig met studie van en voorlichting over het toepassen van de inheemse flora in openbaar groen in Nederland.

Wie enthousiast is geworden voor de toepassing van onze inheemse flora in het openbaar groen, komt al spoedig tot de ontdekking dat het verkrijgen van met name kruidachtig plantmateriaal niet zo eenvoudig is. In het algemeen zijn van houtige gewassen veel soorten in de handel verkrijgbaar. Bij inheemse vaste planten en zaad ligt dat moeilijker. Dit wordt veroorzaakt door een aantal factoren: 

1. Het als “inheems” aangeduide materiaal is niet altijd afkomstig van in Nederland groeiende inheemse planten. Dit wordt ook geconstateerd door Dr. G. Londo in zijn artikel “Vraag naar kwekerijen van inheemse planten” (zie groen nr. 10-’78).

2. Sommige aangeboden soorten zijn niet soort-echt maar gelijkende cultivars.

3. De aangeboden zaadpakketten voor één- en meerjarige bloemakkers hebben vaak een mediterrane afkomst.

4. Regelmatig worden planten aangeboden die in het wild zijn gestoken (bijv. varens en diverse bol- en knolgewassen). Hoewel dit meestal in het buitenland gebeurt, geeft het geen pas het gebruik van heemplanten
in Nederland te stimuleren ten koste van natuurgebieden in het buitenland.

5. Het aanbod van heemplanten door de kwekers beperkt zich tot enkele gangbare soorten.

Door het toenemend gebruik van heemplanten neemt ook de vraag hiernaar steeds toe. Een uitdaging voor de kwekers om hun sortiment op deze vraag af te stemmen. Om van de heemkruiden tot een gewenst kwekerij sortiment te komen, zal, – zoals B. J. Galjaard in zijn artikel “Heemkruiden in Amstelveen” – opmerkt een samenspraak nodig zijn tussen kwekers en gebruikers. De vraag van gemeentelijke plantsoendiensten en het aanbod van de particuliere kwekerijen zou meer op elkaar afgestemd moeten worden (zie Groen nr. 8-’78). Van de zijde van de werkgroep is men gaarne bereid tot medewerking aan een dergelijke samenspraak. Temeer daar ons gebleken is dat plantsoendiensten hieraan zeker behoefte hebben. Kopen is in veel gevallen voordeliger dan zelf kweken. Tevens kan de werkgroep behulpzaam zijn bij het verkrijgen van het benodigde uitgangsmateriaal. Mogelijk kan de angst van de kweker om te investeren in een product, dat soms gezien wordt als een modeverschijnsel, weggenomen worden.

Zolang de kloof tussen vraag en aanbod door kwekers niet is overbrugd, bestaat er voor de meeste plantsoendiensten, maar ook voor anderen, die het gebruik van heemplanten voorstaan, de noodzaak deze planten zelf te gaan kweken.  In dit artikel wordt een aantal aspecten van het kweken van heemplanten belicht, terwijl tevens een aantal praktische wenken wordt gegeven, die een aansporing kunnen zijn om met de kweek van heemplanten te beginnen of ermee door te gaan. Het voert te ver om in dit kader de soorten te bespreken die voor het kweken in aanmerking komen.
De “Geschiktheidslijst van Wilde Planten” door J. Landwehr. zoals deze ook is opgenomen in het boek “Wildenplantentuinen” van J. Landwehr en C. Sipkes, kan uitstekend als leidraad gehanteerd worden, zowel voor het gebruik ais voor de teelt van heemplanten.
Interesse, inzicht, vindingrijkheid en literatuurstudie zijn van doorslaggevend belang voor het succes van het kweken van heemplanten.


II. BEGRIPSAANDUIDING 

De heemkwekerij is specifiek ingericht voor het kweken van inheemse kruidachtige planten. Daarnaast biedt een heemkwekerij de mogelijkheid voor zaadwinning van één- en tweejarige kruiden. Het verschil tussen een handelskwekerij en een heemkwekerij bestaat voornamelijk uit de mate van specialisatie. De hedendaagse kwekerijen specialiseren zich hoofdzakelijk op de teelt in massa van veelgevraagde soorten en variëteiten bomen, heesters, coniferen, vaste planten enz. Op een heemkwekerij zullen zowel varens als grassen, één- en meerjarige kruiden, waterplanten e.d. worden gekweekt.


III. FUNCTIE VAN EEN HEEMKWEKERIJ

De functie van een heemkwekerij kan als volgt worden omschreven:

1. het vermeerderen en kweken van plantmateriaal ten behoeve van de ontwikkeling van heemparken of -tuinen, bloemrijke akkers, bloemweiden, waterlopen e.d.

2. Het voorradig hebben van materiaal (reserve functie). Dit is nodig wanneer plantmateriaal op genoemde objecten zich onvoldoende ontwikkelt of zelfs afsterft.

3. Bevordering van kennis en interesse, van eigen personeel in de omgang met inheemse planten.
Facetten als: hoe gedraagt de plant zich, wat zijn eigenschappen, welke eisen stelt hij of wat verlangt hij en vooral welke concurrentiekracht (woekerend vermogen) bezit de soort, moeten voldoende aandacht krijgen.

4. Bevordering van natuureducatie van derden door o.a. het openstellen van de kwekerij voor publiek.

5. Het creëren van een gewenningsproces voor de plant. Gewenning aan grondsoort en klimaat.
Er kan worden gesteld dat iedere ontwikkeling van de in punt 1. genoemde objecten gedoemd is te mislukken, indien kennis en vooral ervaring niet voldoende aanwezig zijn.


IV. VOORWAARDEN TE STELLEN AAN EEN VESTIGINGSPLAATS VAN EEN HEEMKWEKERIJ

Voor de in aanmerking komende vestigingsplaatsen van een heemkwekerij dient het bodemkundig aspect, het kostenaspect en het natuureducatieve aspect nader te worden beschouwd


1 BODEMKUNDIG ASPECT

In het algemeen kan gesteld worden dat. wanneer factoren uit het natuurlijke milieu niet meer gelden, vele soorten bodemvaag 1) worden; Kattestaart, Koekoeksbloem. Wilde akelei. Margriet, de meeste klokjes, Hertshooi en Anjer zijn hiervan voorbeelden.
 De meest gewenste grondsoort voor een mogelijke vestigingsplaats van een heemkwekerij is: niet-voedselarme, humeuze, goed drainerende en goed vochthoudende grond. Het is vanzelfsprekend dat deze grond niet op alle plaatsen voorhanden is.  Is men aangewezen op zwaardere grond, dan kan men de bovenste laag verbeteren door bijmengen van zand en tuinturf. Hierdoor ontstaat een rullere teeltlaag.
Bij schrale, humusarme zandgronden ontstaat door mengen met veencompost. tuinturf of bladaarde een beter vochthoudend vermogen. Natte gronden of gronden met een hoge grondwaterstand kunnen in de winter problemen geven (wegrotten en opvriezen van gevoelige soorten). Het aanbrengen van een goede drainage, gecombineerd met grondverbeterende maatregelen kan een oplossing bieden.
Vervolg
Zoals bij het kostenaspect is opgemerkt is het niet aan te bevelen om direct na het opzetten van een heemkwekerij te beginnen met soorten die speciale bodemkundige eisen stellen. Wil men na verloop van tijd toch hiertoe overgaan, dan moeten kunstmatige milieus worden gecreëerd. Voor kalkbehoeftige soorten (bv. Blauwe Zeedistel Berggamander, Geoorde Silene, Kegelsilene. Muurbloem, Driedistel) is het mogelijk een bed te maken met een onderbouw van lava en steenslag met grove korrel. Als afdeklaag kan een dun laagje lava met een fijnere korrel worden aangebracht. Voor soorten die van nature op zure gronden groeien (Struikheide. Dopheide, Rode Bosbes, Valkruid en Klokjesgentiaan. Liggend Hertshooi) kan met behulp van veen of tuinturf zo nodig een zuur milieu worden nagemaakt. Voor vochtminnende planten kan een verdiept bed tot enkele centimeters boven het grondwater gemaakt worden. Of een bed met een schijngrondwaterstand (ingraven van plastic folie of eternietschalen gebruiken). Voor droogte minnende planten kan een ophoging worden aangebracht met een drainerende onderlaag. Uiteraard is het mogelijk de diverse ingrepen zodanig te combineren dat de natuurlijke groeiomstandigheden zoveel mogelijk kunnen worden benaderd. In verband met het maken van kunstmatige milieus en  i.v.m.  eventuele beregening in het zomerseizoen is het gewenst dat de kwekerij aan water is gelegen. Ook voor het kweken van waterplanten is een aangrenzende sloot van belang. De waterkwaliteit dient regelmatig onderzocht te worden . Geëutrofieerd 2) buitenwater moet zoveel mogelijk worden geweerd.
2. Kostenaspect
Om de kosten laag te kunnen houden is het mogelijk de heemkwekerij op te nemen als onderdeel van de gemeentekwekerij, een heemtuin of heempark. Gemeenschappelijk gebruik van materialen, materieel en personeel garandeert een meer efficiënte werkwijze.De kosten van het plantmateriaal van de heemkwekerij kunnen, evenals het overige plantmateriaal, op aanlegobjecten, onderhoudsposten en diverse natuureducatieve zaken worden doorberekend. Bij de vraag of een heemkwekerij rendabel is, dienen de eerder genoemde functies te worden betrokken. Opgemerkt dient te worden dat het kweken van soorten die speciale eisen stellen aan het milieu extra voorzieningen en aandacht vraagt. Men moet zich zeker in het begin niet laten verleiden tot het opzetten van een uitgebreid sortiment. Het risico wordt dan groter, met als gevolg dat de kostprijs onnodig wordt verhoogd.Het is dan ook aan te bevelen in eerste instantie met gemakkelijk te kweken soorten te beginnen die in de eigen omgeving van nature voorkomen of thuishoren. Aanpassing van de grond aan de plant, of aanpassing van de plant aan de grond is een intensieve en kostbare aangelegenheid. Natuureducatieve aspect. Het verdient aanbeveling bij de situering te bedenken dat het samenvoegen van de heemkwekerij met elementen als een instructief opgezette gemeentekwekerij, studie- of instructieborder juist vanuit het natuureducatieve aspect ideaal is. Ook kan een bestaand bezoekerscentrum, een kinderboerderij of een schooltuinencomplex een aanleiding voor de vestiging betekenen. Voorts kan een centrale ligging in een grotere groenstructuur zoals een stadspark een overweging voor de vestiging zijn.
V. INRICHTING VAN DE KWEKERIJ
Een eenvoudig opgezette kwekerij verschilt qua inrichting nauwelijks van een handelskwekerij van houtachtige en kruidachtige gewassen. De aanwezigheid van een moerenhoek en een kweekgedeelte is in eerste instantie voldoende.Wil men zich verder verdiepen in de toepassing van de inheemse flora of wil men het natuureducatieve aspect wat meer belichten, dan is het mogelijk een gedeelte in te richten voor een sortimentscollectie en voor het creëren van specifieke- en/of gewenningsmilieus.
1. De moerenhoek
De moerenhoek dient voor het winnen van soort echt vermenigvuldigingsmateriaal, zoals zaad, stek e.d. Een veelheid van soorten is ideaal maar gezien het kostenaspect voor het scheppen van verschillende milieus niet altijd haalbaar. Per soort behoeven slechts enkele exemplaren te worden opgezet. De hoek moet nauwkeurig en permanent op soort geëtiketteerd en gekarteerd zijn. Soorten die makkelijk verbasteren moeten zorgvuldig gescheiden worden (Vingerhoedskruid x diverse gecultiveerde soorten, Zinkviooltje x tuinviolen. Muskuskaasjeskruid x Vijfdelig kaasjeskruid en de diverse primulasoorten). Om verzekerd te zijn van een permanente collectie is het verstandig jaarlijks van elke soort op de moerenhoek een kleine hoeveelheid zaad te winnen (risicospreiding).
2. Kweekgedeelte
Het opkweekgedeelte bestaat uit bedden waarop de planten in de benodigde hoeveelheden worden gekweekt. De bodemkundige aspecten zijn reeds uitvoerig behandeld in het hoofdstuk betreffende keuzemogelijkheid voor eventuele vestigingsplaatsen van een heemkwekerij. De planten staan relatief vrij kort in de bedden van het opkweekgedeelte. De groeiplaatsfactoren zijn daarom van minder belang dan bij de moerenhoek. De benodigde aantallen planten worden door het te beplanten object bepaald. De meeste soorten kunnen een jaar van te voren worden vermeerderd. Met de kweek van houtige gewassen is soms een langere tijd gemoeid. Hoewel water, moeras- en oeverplanten feitelijk onder de vaste planten ressorteren, dienen ze vanwege hun specifieke kweekwijze apart te worden genoemd. Een groot deel van het sortiment kan bij gespecialiseerde kwekers betrokken worden. Ook eventueel aanwezige vijvers en waterlopen in het stedelijk gebied zijn in de regel goede “leveranciers”.
3. Sortimentscollectie
Eveneens is het mogelijk op de heemkwekerij een plekje in te ruimen voor soorten die wij in onze heemtuin (nog) geen geschikte groeiplaats kunnen aanbieden. Voor hen kunnen kleinschalige kunstmatige milieus worden aangebracht. Dit kan eventueel gecombineerd worden met de moerenhoek. Deze planten kunnen een meervoudige functie hebben. Het kunnen soorten zijn die ais nietigheden minder opvallen (Dwergvlas, Draadgentiaan, Dwergbloem, Muizestaartje, Kandelaartje, Paashaver, Vroegeling enz.). Minder algemene of onopvallende akkeronkruiden  (Nachtkoekoeksbloem, Heelbeen, eenjarige Hardbloem e.d ). Planten met bijzondere vormen (Grote Engelwortel), adventieve 3) soorten en neofyten 4) van onze flora kunnen ook in een sortimentscollectie worden ondergebracht.
4. Aanpassing- of gewenningsmilieus
Zoals reeds gesteld in de inleiding is het niet verantwoord planten in het vrije veld te steken. Worden evenwel toch soorten uit het vrije veld betrokken (bijv. van een plek waar een weg wordt aangelegd), dan kan het noodzakelijk zijn de plant aan een andere grondsoort te laten wennen. De volgende methode kan daarbij goed voldoen: eerst wordt geplant of gezaaid in een grond die zoveel mogelijk.
*1) bodemvaag: neutraal t.a.v. chemische en fysische samenstelling van de grond.
* 2) geëutrofieerd: verrijkt met voedingsstoffen.
* 3) adventieve soorten: planten die door de mens onopzettelijk uit een andere streek of een ander land zijn ingevoerd en die zich op hun nieuwe groeiplaats niet blijvend kunnen vestigen.
* 4) neofyten: in het recente verleden aangevoerde adventieve.
Vervolg

overeenkomt met de grond van de oorspronkelijke groeiplaats. Slaagt dat, dan wordt deze grond vermengd met een weinig van die grond, waarop we de soort later willen laten groeien. Lukt ook dit, dan wordt het percentage bijgemengde grond bij elke volgende “kweek” steeds opgevoerd, tot we op 100% eigen grond zijn gekomen. Aldus is de plant overgewend. Op deze wijze is het mogelijk moeilijke soorten van bijv. kalkrijke gronden over te wennen op kalkarme gronden. Het aanpassen overwennen gaat bij de ene soort sneller dan bij de andere.

VI KWEEKMETHODIEK

In principe wordt ervan uitgegaan dat alle soorten in de open lucht gekweekt kunnen worden. Enkele eenvoudige hulpmiddelen zijn ons daarbij van nut, zoals de koude bak, een kleine koude kas e.d. Veel soorten kunnen zonder ai teveel moeilijkheden in de voile grond worden gezaaid,. Zaaien in de volle grond kan in principe direct na rijping van het zaad geschieden (Wildemanskruid). Om praktische redenen wordt doorgaans in het voorjaar gezaaid. Sommige zaden kunnen een of meerdere jaren overliggen voordat ze kiemen. Voor het dagelijks onderhoud is het aan te bevelen om op regels te zaaien. We zaaien in het algemeen zo diep als het zaad dik is en met veel ruimte op de regel, zodat niet verspeend behoeft te worden.  De meeste planten kunnen veelal bij voldoende grootte zo van de regel naar de bestemde plaats worden overgeplant. Ook winterstek van houtige gewassen kan in de volle grond worden gestoken.  Denk daarbij voor Gagel aan voldoende vochtige grond. Ook soorten die wij door middel van scheuren, afleggen e.d.  kweken kunnen zonder veel bezwaar in de volle grond worden uitgeplant  (Varens, Longkruid, Viooltjes). In de bak komen de soorten die gestekt worden, al dan niet onder glas. Dopheide, Veenbes. Kraaiheide, Lavendelheide. maar ook gele Dovenetel en Boswederik zijn hiervan voorbeelden. Overigens kan in plaats van glas ook uitstekend gewerkt worden met niet te dun plastic folie. Hiertegen vindt een sterkere condensvorming plaats dan tegen glas. Het voordeel hiervan is dat bij niet te scherp weer niet behoeft te worden geschermd. Bepaalde soorten kunnen in verband met de kluitvorming beter met een potkluit worden gekweekt  (bremsoorten, Groot zonneroosje, Peperboompje e.d.).  Het blijkt dat het kweken van veel soorten heemplanten weinig of niet verschilt van de meeste cultuurgewassen. Dat is bij een aantal andere soorten duidelijk wel het geval.  Zij zijn moeilijk op de van ouds bekende wijze te vermeerderen. Het betreft vooral de soorten uit specifieke milieus. Duizendguldenkruiden, Gentianen, Beenbreek, Moerashertshooi, Moerasgamander en Parnassia zijn enkele voorbeelden hiervan. Voor deze soorten moeten speciale kweekomstandigheden worden gemaakt. Tenslotte blijven er ook soorten over die niet te kweken zijn, of waarvan het kweken weinig zin heeft, zoals Wintergroen, Wolfsklauw- en Orchideeën soorten. Dergelijke soorten zijn zo specifiek milieugebonden, dat kweken ervan zelden lukt. Als dit in eerste instantie toch lukt, blijkt veelal dat de soort na het uitplanten op de bestemde groeiplaats niet groeit, langzaam in conditie achteruitgaat en tenslotte afsterft. Hier blijft over: ter plekke zaaien in het geschikte milieu. Waar en wat dat is zal vooral ervaring en gevoel moeten zeggen. Gedurende de kweek zijn er een aantal facetten die bijzondere aandacht vragen. Door afwezigheid van concurrentie en door zeer goede groeiomstandigheden op de kwekerij kan het voorkomen dat planten afwijken van de natuurlijke habitus. Het behoeft geen verbazing te wekken als sommige planten zich zwaarder, krachtiger en bloemrijker ontwikkelen dan soortgenoten in het vrije veld. In veel gevallen verandert dit zodra ze op de bestemde plaats in het heempark zijn uitgeplant. Soorten die deze ontwikkeling in sterke mate vertonen kunnen geremd worden door te kweken in voedselarmere grond, door later in het seizoen te zaaien of in een vrij jong stadium van hun ontwikkeling over te planten. Een ander probleem bij het kweken van inheems materiaal is het ontstaan van afwijkingen door natuurlijke mutaties. Spontaan kunnen exemplaren voorkomen met afwijkende bloemkleur, bladvorm e.d. Bijvoorbeeld Maarts Viooltje. Muskuskaasjeskruid. Gewone Agrimonie, Beemdooievaarsbek. en Ruig Klokje met witte bloemen, diverse soorten klokjes met te licht blauwe bloemen of stengelloze sleutelbloemen met donkergele, roze of vuilrode bloemen. Deze exemplaren moeten worden verwijderd om de soort zuiver te houden. Gebeurt dit niet. dan is het mogelijk dat een steeds groter wordend percentage individuen tot deze niet als soort echt te beschouwen exemplaren gaan behoren. Iets anders is het wanneer bij de soort van nature een percentage planten voorkomt met b.v. witte bloemen, zoals Holwortel. Mottenkruid. Toch zal er naar gestreefd moeten worden het percentage bij ons zoveel mogelijk gelijke tred te laten houden met het natuurlijke. Een laatste probleem dat in dit kader aan de orde kan worden gesteld is het niet altijd soortvast blijven van bepaalde soorten. Zoals reeds opgemerkt bij de inrichting van de moerenhoek kunnen onderlinge kruisingen optreden bij die soorten die gemakkelijk bastaarderen. Gevolg: bastaard nakomelingen. Vooral als dergelijke soorten dicht bij elkaar staan. In het vrije veld bastaarderen de meeste soorten binnen hetzelfde geslacht vrijwel niet, ook niet als zij in elkaars directe omgeving groeien. Voorbeelden hiervan zijn bremsoorten, klokjes, heideachtigen, lelieachtigen, grassen en hertshooien. Er zijn echter soorten die het verschijnsel van onderlinge bastaardering vrij geregeld vertonen, b.v. wilgen, viooltjes, toortsen, zeggen. Bastaardering tussen geslachten komt zeer weinig voor. Soorten die op de kwekerij snel onderling bastaarderen moeten niet te dicht bij elkaar gekweekt worden. Bovendien moet uitgegaan worden van soortecht materiaal. Het kan zelfs nodig zijn sommige soorten op verschillende kwekerijen te kweken om dit risico uit te sluiten (Koningskaars. Stalkaars, Zwarte Toorts. Muskuskruid en Vijfdelig Kaasjeskruid. Sleutelbloem. Zwolse- en Ruige Anjer. Klaproos). Wordt dit niet gedaan dan kan als de bastaard nakomelingen fertiel zijn,  een en ander leiden tot een populatie met een steeds groter wordend percentage bastaarden. Bastaardering komt vaker voor dan gedacht wordt. Wordt dit verschijnsel te laat onderkend dan kan op den duur het verdwijnen van de echte soort het gevolg zijn. Het kan zelfs noodzakelijk zijn bepaalde soorten alleen vegetatief te vermeerderen.

VII ONDERHOUD

Het dagelijks onderhoud op een heemkwekerij zal weinig verschillen van dat op een vaste planten- en of boomkwekerij. Het onderhoud is intensief, omdat het verwijderen van niet gewenste kruiden (onkruiden) voornamelijk handwerk is. Het is dan ook aan te bevelen een redelijke plant- en regelafstand aan te houden Het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen zal bijna nooit verantwoord zijn. Een schone kwekerij is erg belangrijk omdat met het uitplanten van de gekweekte kruiden ook ongewenste onkruiden (of zaden ervan) kunnen worden overgebracht. Kennis van de kruiden in het kiemplant stadium is van groot belang. Het is moeilijk om in het kiemplant stadium verschillende soorten van elkaar te onderscheiden. Vooral vlak wortelende grassen en berkenzaailingen dienen zo vroeg mogelijk te worden herkend, zodat gewied kan worden zonder al te veel schade aan het zaaibed aan te richten. Ook het tijdig afknippen van uitgebloeide bloemen en het tijdig winnen van zaad zal in dit verband van belang zijn. Eveneens erg belangrijk is het gietwater. Voor gietwater hebben we de keuze uit de volgende mogelijkheden: 

–  slootwater, voordeel: goede temperatuur, nadeel: kan verontreinigd zijn of te rijk zijn aan voedingsstoffen, regelmatige controle is noodzakelijk.

– leidingwater, nadelen: lage temperatuur en in sommige delen van het land verrijkt met ongewenste chemicaliën. Bovendien is leidingwater duur en in principe wordt het niet voor beregening gemaakt.

– bronwater, nadelen: lage temperatuur en in sommige streken sterk ijzerhoudend,

– opgevangen regenwater, voordeel: goede temperatuur.

Vervolg

Nadeel: kan soms enigszins verontreinigd zijn. Slootwater heeft, mits de kwaliteit goed is. de voorkeur. Opgevangen regenwater kan een goed alternatief zijn. Overigens dient het gieten van planten en zaaisels in de volle grond zoveel mogelijk te worden beperkt. Het schermen tegen teveel zon zal ook onze bijzondere aandacht vragen. Bakken waarin vermeerderd wordt, al of niet onder glas, zullen altijd geschermd dienen te worden. Bij voorkeur wordt schermmateriaal! ruim (b.v. 50cm) boven de bak aangebracht in verband met licht toetreding en een betere warmtewering. Bij scherp weer zal het pas uitgeplante materiaal dankbaar zijn voor afscherming tegen de zon. Als schermmateriaal kan worden aanbevolen: schermmatten, kunststof schermgaas en jute. Wanneer in de directe omgeving van de kwekerij plantstroken met hout van voldoende hoogte aanwezig zijn, kunnen varens, grassen, Goudveil, viooltjes heel goed in de schaduw daarvan worden gekweekt. Veel soorten die we normaal in de schaduw aantreffen kunnen heel goed in de voile zon worden gekweekt, mits de grond permanent voldoende vochtig is, b.v. Gele Monnikskap. Perzikbladig en Breedbladig klokje. Wilde akelei en Veelbloemige Salomonszegel. In de herfst worden maatregelen getroffen voor de komende winter. Vrijgekomen plekken worden gespit. Om op de gewenste hoogte te blijven, wordt bovendien een laag verse grond aangebracht. De vorst werkt structuurverbeterend door het doorvriezen. Bakken, schalen e.d. worden ingepakt en afgedekt tegen strenge vorst met bossen riet. ruig of rietmatten. Kwetsbare soorten in de sortimentscollectie of moerenhoek kunnen ook goed met dennegroen en varenblad gedekt worden. Bij niet vriezend weer wordt het afdekmateriaal verwijderd om broei en te vroeg uitlopen te voorkomen. Op vochtige en natte gronden kan opvriezen een probleem vormen. Het kan dan nodig zijn jonge planten voor de winter op te nemen en te laten overwinteren in de (afgedekte) bak (Wildemanskruid). In het voorjaar kunnen de plantjes worden uitgeplant in de volle grond.

VIII. PERSONEEL

Het resultaat van een heemkwekerij zal voor een groot deel afhankelijk zijn van het personeel dat belast is met het dagelijks onderhoud. Het zullen mensen moeten zijn met “kweekgevoel”, een scherp waarnemingsvermogen, belangstelling, handigheid, inventiviteit, interesse en liefde voor het vak. Geschoold personeel voor dit gedeelte van het hoveniersvak zal niet makkelijk te vinden zijn omdat het huidige tuinbouwonderwijs hiervoor nog te weinig scholingsmogelijkheden biedt. Het zelf opleiden van dergelijke mensen is voorlopig de enige weg. Een dergelijke opleiding zal gericht moeten zijn op het bevorderen van kennis en vooral interesse voor:

1. de wilde plant in zijn natuurlijke omgeving.

2. de milieufactoren zoals bodemtype, bezonning. vochtbehoefte van de plant, zuurgraad.

3. specifieke vegetaties.

4. Nederlandse en Latijnse namen van planten, families en geslachten (determineren).

5. onderkenning van planten in het kiemplantstadium.

6. vermeerderingsmethode (zaad, topstek, houtige stek, wortelstok enz.) en vermeerderingsomstandigheden (stratificeren, nat, vochtig, droog, donker, licht enz.).

Mocht het zelf opleiden van personeel op moeilijkheden stuiten dan kan een beroep worden gedaan op beheerders van heemparken c.q. heemkwekerijen die reeds de nodige ervaring hebben opgedaan. Het gedurende een bepaalde tijd laten stagelopen op een bestaande heemkwekerij behoort tot de mogelijkheden.

IX. SAMENVATTING

Om vraag en aanbod van niet in de natuur verzamelde inheemse planten op elkaar af te stemmen is een samenspraak gewenst tussen handelskwekers en gebruikers.

 – De heemkwekerij is specifiek ingericht voor het kweken van inheemse planten, in het bijzonder de kruidachtige. De functie van een heemkwekerij is gericht op het vermeerderen van kruiden, het in voorraad hebben van voldoende planten en op bevordering van kennis, interesse en natuureducatie.

– Voor een eventuele vestigingsplaats van een heemkwekerij dient een afweging te worden gemaakt tussen het bodemkundige aspect, het kostenaspect en het natuureducatieve aspect.

– De inrichting van een heemkwekerij zal in eerste instantie gericht moeten zijn op het creëren van een moerenhoek en een kweekgedeelte. In een later stadium kan worden overgegaan op het aanleggen van een sortimentscollectie of eventueel aanpassingsmilieu’s.

– Ten aanzien van kweekmethodiek kan gesteld worden dat het succes niet afhankelijk is van kostbare voorzieningen. Wel is het noodzakelijk extra aandacht te schenken aan soorten die gemakkelijk bastaarderen. – Afhankelijk van de opzet kan onderhoud op een heemkwekerij variëren van eenvoudig tot intensief. Kennis van planten in het kiemplantstadium is belangrijk.

– Ten aanzien van het personeel kan gesteld worden dat kennis en interesse belangrijk zijn voor goede resultaten. Het huidige tuinbouwonderwijs biedt voor dit vakgebied nog te weinig mogelijkheden. Het zelf opleiden is voorlopig de enige weg.

LITERATUUR

B. J. Galjaard

  • Heemkruiden in Amstelveen” Groen no. 8-1978.

———————————————————————-

J. Landwehr

  • Geschiktheidslijst van wilde planten voor heemparken, bloemenweiden, bermen e.d.”. Uitg. Dienst voor Plantsoenen, Sport. Jeugd en Recreatie te Amstelveen. J. Landwehr – C. Sipkes

———————————————————————-

  • Wilde plantentuinen”. Uitg. I.V.N. Amsterdam.

———————————————————————-

Dr. G. Londo

  • Vraag naar kwekerijen van inheemse planten”. Groen no. 10-1978