Vijvers en waterlopen

Aanleg en onderhoud van gemeentelijke waterpartijen
Inleiding
Als onderdeel van de groenvoorzieningen zijn waterpartijen, vijvers, waterlopen, grachten en kanalen met begroeiing functioneel en esthetisch van grote waarde Functie waterloop:
– Bij aanhoudende regen of bij stortbuien is een snelle afvoer van overvloedig water gewenst.
– Bij droogte is een aanvulling vanuit het buitenwater mogelijk.
– Het waterbergend vermogen;  dit vermogen is van groot belang, zowel bij overmatige regenval als bij langdurige droogteperioden. Het uitgangspunt dat geldt voor zowel waterlopen binnen als buiten de bebouwde kom is het verkrijgen c.q. het behouden van zuiver water voor:
a. drinkwater ten behoeve van het vee;
b. aanvulling van de grondwaterspiegel (bodemdaling);
c. aanvulling van de watervoorraad ten behoeve van de drinkwatervoorziening:
d. aanvulling van de waterhuishouding ten behoeve van de vegetatie hetzij de cultuurgewassen, hetzij de natuurlijke vegetatie.
e. het instandhouding van een waterreinigende vegetatie en het instant houden van de fauna (vissen, water-vogels en ander dierlijk leven).
Voor grachten en kanalen geldt tevens de afvoer van industrielozingen, was- en spoelwater, de functie als transportweg en zomede het recreatieve element.
  • Dit is het 3e artikel van de serie, samengesteld door de werkgroep toepassing inheemse flora. De eerste 2 verschenen in de nummers 4 (1977) en 11 (1977)
Kademuren kunnen een zeer interessante vegetatie van bv. muurleeuwenbek, mossen en muurvarens meevoeren. Bij een eventueel herstel van kademuren is het belangrijk, dat gelet wordt op de hardheid van de steensoort en de te gebruiken specie opdat zich in de toekomst weer een spontane muurvegetatie kan ontwikkelen.
Een belangrijk gegeven is, dat de afvoersnelheid bij een plotselinge wateroverlast wordt bepaald door de capaciteit van de nauwste doorgang in een watergang. Meestal is dit een duiker of overstort.
Het beheer van wateren is niet alleen kwantitatief, maar veel meer kwalitatief van grote betekenis. Eén fout in het kwantiteitsbeheer kan lokale schade inrichten. Het veronachtzamen van het kwaliteitsbeheer daarentegen kan blijvende schade aanrichten, zowel aan mens als aan dier. Bij dorps- en stadsuitbreidingen vervalt het bestaande systeem van waterlopen en moet er gezorgd worden voor een vervangend stelsel van watergangen en dergelijke.
De opvangcapaciteit van waterlopen wordt in hoofdzaak bepaald door de oppervlakte en niet door de inhoud. Een vijver van 10.000 m2 bij een diepte van 0,60 m bergt 6.000 m3 water, evenals een vijver van 5000 m2 die 1.20 m diep is. De opvangcapaciteit van eerstgenoemde vijver is echter 2x zo groot. De gemiddelde diepte is alleen van belang voor de watervoorraad.
De opvangcapaciteit van een waterstelsel zal een “maximaal mogelijke” hoeveelheid regenwater over een bepaald gebied per etmaal moeten kunnen bergen. Dit waterbergend vermogen is afhankelijk van de totale wateroppervlakte van het stelsel, diens toegestane fluctuatie en de afvoercapaciteit van het gemaal per etmaal. (Wateroppervlakte x toegestane fluctuatie + afvoercapaciteit/etmaal = Waterbergend vermogen per etmaal.) De afvoercapaciteit is afhankelijk van de diepte of inhoud van de transport-sloten, waarbij de nauwste doorgang bv. een duiker, of de capaciteit van een gemaal uiteindelijk bepalend is voor de maximum afvoercapaciteit.
Het verdient aanbeveling om in nieuwbouwwijken de oppervlakte van water-gangen en -partijen met ca. 10% te verhogen en vooral duikers en andere doorlaten met ruime overmaat aan te brengen.
Bij de verdere behandeling van de aanleg en het onderhoud van gemeentelijke waterpartijen gelden de volgende uitgangs-punten als stelling:
1. ervan uitgaan, dat de kwaliteit van het water ons het meest ter harte gaat. “zuiver water is een noodzaak”:
2. erkennen, dat de “echte” waterplanten onmisbare waterzuiveraars zijn en dientengevolge hun functie moeten blijven behouden; (losdrijvende waterplanten hebben een geringer zuiverend vermogen).
3. onderkennen, dat een groot aantal “onechte” waterplanten een noodzakelijke functie heeft m.b.t. het instandhouding van de oevers;
4. in twijfel trekken, dat het zogenaamde “doorstromen” of verversen met of door naburig water de waterzuivering zal bevorderen, (meestal is het inlaatwater van inferieure kwaliteit, doorstroming kan  dan averechts van invloed zijn);
5. de schouw in twee soorten verdelen:
– “droge” schouw, het opschonen van kanten en oevers;
– “natte” schouw, het verwijderen van de zich in het water bevindende planten. Feitelijk valt de natte schouw ook weer in twee delen uiteen in: 
– het krooswerk, waarbij drijvende planten worden verwijderd d.m.v. een oppervlaktebewerking en het zg. flaptrekken;
– het vooraf uitrukken of afmaaien van wortelende planten en het daarna verwijderen van maaisel.
6. met zorg afwegen in hoeverre het verwijderen van waterplanten toelaatbaar is. In een aantal gevallen kan het beslist noodzakelijk zijn de groei van waterplanten te stimuleren;
7. tijdens de “droge” schouw dient de oever “groen” te blijven. Alleen uitgezakte kanten dienen opgehaald te worden. De slootbreedte moet behouden worden;
8. de tijdstippen van de schouwwerkzaamheden moeten aangepast zijn aan de functie van de betreffende waterloop en aan de actieve stadia van de vegetatie in de verschillende waterlopen.
Bovengenoemde stellingen zijn functioneel van aard en een gevolg van “noodzakelijkheid”.
Evenwel dienen ook een ethisch en esthetisch aspect daarin te worden betrokken:
– ethisch: de mens kan niet onbeperkt de natuur naar zijn hand zetten. Elke ingreep, die de mens in het biologisch evenwicht uitvoert kan grotere schadelijke gevolgen hebben dan hij meent te weten of kan overzien:
– esthetisch: de zichtbare hoedanigheid van een sloot of van een waterloop is vaak sterk aspect bepalend en kan een wezenlijke bijdrage leveren aan het landschapsschoon.
 De uitvoering
Via het gemeentelijk uitbreidingsplan, het matenplan enz., komen uiteindelijk de werkbestekken en beplantingstekeningen voor de aankleding van de nieuwbouwwijken gereed. Op het uitbreidingsplan is naast de oppervlakte aan bebouwing, wegen en groen ook die van het water aangegeven.
Bij de detaillering van een waterpartij is het op tekening aangeven van bankets/stoepen of plasbermen gewenst. Deze plasbermen kunnen een belangrijke functie vervullen als golfbreker in grotere waterpartijen, als groeiplaats voor waterplanten, terwijl verzakkingen van taluds worden voorkomen. Bovendien verbeteren deze bankets de veiligheid vooral m.b.t. te water gerakende kinderen.
Variabel is het aantal bankets (1-4). afhankelijk van de diepte en breedte (0.50 m – 1.00 m) en de grondslag van vijver of waterloop.
De ligging van bankets beneden het gemiddelde waterpeil -/+ N.A.P. kan variëren van ca. 0.10 m (le) tot 2.50 m (4e). Zie hiervoor ook de tekening van het dwarsprofiel.
Het gemiddelde waterpeil -/+ N.A.P. (ca 10 cm verschil in zomer- en winterpeil) kan verschillen met het polderpeil. Het nadeel bij handhaving van het polderpeil is dat bij regenval de waterstand langdurig boven de beschoeiing staat: door wind- en golfslag spoelt de grond achter de beschoeiing vrij spoedig uit. De beschoeiingshoogte  en de hoogtelijnen behoren ook op de tekening te worden aangegeven. Op de praktische uitvoering en de behandeling van de verschillende grondsoorten zal niet nader worden ingegaan.
 Op het beplantingsplan wordt zowel de begroeiing aan als in het water aangegeven; de plantennamen zijn terug te vinden op de bijbehorende plantlijsten.
Beschoeiing
De kunstmatige oeverbeveiliging kan bestaan uit:
Azobê planken of -vlechtwerk; keien in mortel; perkoenen, al of niet voorzien van nylondoek (zandgrond). Ten behoeve van onderwatertaluds kan bij de uitvoering gebruik gemaakt worden van Nicolonmat, die afgedekt wordt met puin en grond waardoor een rietbegroeiing mogelijk wordt. Bij een meer natuurlijke aanleg kunnen boomstammen en vlechtmatten van wilgen tenen worden aangebracht.
Oevers van vijvers en waterlopen met een begroeiing (graskant, oever- en waterplanten) zijn ideaal mits men komt tot een juiste plaatskeuze en een juist gebruik van het sortiment. Bij grote vijvers, plassen en meren kan een rietberm worden toegepast. De berm moet dan een breedte hebben van minimaal 3.00 m en dient aan de kop te worden beschermd met een betuining van vergankelijk rijshout.
Beplanting
Het aanbrengen van inheemse oever- en waterplanten als begroeiing van vijvers en waterlopen verdient meer aandacht dan tot nu toe het geval is. Voor een juist gebruik kan een categorische rangschikking van  “waterplanten” noodzakelijk zijn.
“Echte” waterplanten”
A. de onder water levende, los zweven de planten zoals sterrekroos, flap en vederkruid:
B. de onder water groeiende en verblijvende wortelende planten zoals bv. glanzig fonteinkruid, vlottende waterranonkel, gekroesd fonteinkruid enz.;
C. losdrijvende waterplanten; .Onechte” waterplanten (meestal moerasplanten)
D. de onder water wortelende planten, maar met hun bladen boven water uitstekend (gele plomp, witte waterlelie, watergentiaan);
E. de oeverplanten (zwanenbloem, gele lis. waterweegbree, grote lisdodde):
F. op vochtige grond groeiende planten (kattestaart, koninginnekruid. dotterbloem, moerasspirea).
Vele milieuaspecten zijn van invloed op de toepassing van “echte” en “onechte” waterplanten.
Bij zandige gronden treden als gevolg van een gering capillair vermogen vaak .”steile vochtzones” op. (Een snelle overgang van nat naar droog). Een juiste sortimentskeuze op de juiste plaats is hier meer dan waar ook van belang. Toepassing van een water- en oevervegetatie zal een extreme overgang van land naar water in positieve zin “verzachten”, terwijl aan land- en waterdieren een belangrijke voedselbron wordt toegevoegd. Het behoeft geen betoog dat op deze wijze een evenwichtiger leefmilieu wordt gecreëerd, waar aan vissen paai- en schuilgelegenheid. en voor vogels de nodige broedgelegenheid wordt geboden.
Een evenwichtig leefmilieu zal ook de waterkwaliteit ten goede komen. Kortom een vijver zonder begroeiing is als een steriele vissenkom met luchthappende vissen.
Door het waarnemen en inventariseren van planten aan en in sloten en plassen eigent men zich meer liefde en kennis van de wilde plant en haar mogelijkheden toe, zodat men tot een gerichtere plantenkeuze kan komen.
Op daarvoor geschikte plekken langs vochtige oeverkanten van waterpartijen in en buiten de woonwijk kan men een vegetatie aanbrengen van forse kruiden zoals: groot hoefblad (taludplant-woekeraar), kattestaart, koninginnekruid (leverkruid), moeraskruiskruid en moerasspirea.
Deze opgroeiende planten (0.70 m en hoger) bieden met een opgaande beplanting als achtergrond, een kleurrijk aspect. Fijne soorten als slangenwortel, moerasvaren en moeraswolfsmelk zijn onder te brengen in heemparken en instructieve tuinen.
Indien de waterkwaliteit goed is (o.a. geen zout en brak water) kunnen de water-oever-planten worden geplant. De meeste waterplanten (type A t/m E) kunnen het best in het voorjaar (mei-juni) uitgezet worden. Moerasplanten (type F) wat eerder, bij voorkeur in april-mei. Dotterbloemen kunnen ook met succes in augustus of september geplant worden mits zij een vochtige en lichte standplaats krijgen.
Vele  “onechte” waterplanten zoals gele lis, zwanebloem, pijlkruid en egelskop kunnen ook goed eerst uitgezaaid worden. Dit geschiedt dan op een ondiepe plek in het water (modderbank) aan een oever, of op de kwekerij op een vochtige plek. Uit zaad vermeerderde exemplaren hebben vaak een beter aanpassingsvermogen dan te verplanten exemplaren. Bij het verplanten van uit zaad gekweekte soorten dienen de planten soortgewijs op ruime afstand zowel op de oever als in het water te worden aangebracht en wel zodanig dat de planten elkaar niet kunnen overwoekeren. Verwijder tijdig ongewenste begroeiing zoals lies- en vlotgras, riet en zeggen (verwildering). Uitgestrekte vijvers, meren en plassen lenen zich eerder tot een mengeling van planten, waardoor de oevers een meer natuurlijk aanzien krijgen. Voor de onderwater wortelende planten zoals gele pomp. witte waterlelie en watergentiaan moeten de wortelstokken omwikkeld worden met een graszode, al of niet voorzien van kippengaas en jute. Vervolgens wordt de graskluit verzwaard met een steen en op de gewenste plaats in het water neergelaten. Geen ervaring met de toepassing van oever- en waterplanten behoeft niet te betekenen dat er dan ook maar niets gedaan behoeft te worden.
Uitproberen middels de aanleg van één of meerdere proefobjecten is aan te bevelen. Gebruik daarvoor een tiental soorten  “echte” en onechte” waterplanten en planten voor de vochtige gronden. Plant van de “echte” waterplanten (type A t/m C) een tiental per soort en bescherm de jonge planten door een voorlopige afzetting van paaltjes met kippengaas. In een waterpartij met veel watervogels kan men de aanplant van waterplanten beter achterwege laten.
Van de “onechte” waterplanten kan men van groep D. (witte waterlelie, watergentiaan en gele pomp) 5 a 10 stuks per soort, van groep E. (zwanebloem, kalmoes, grote egelskop en grote lisdodde.) alsmede van groep F (kattestaart. koninginnekruid. dotterbloem etc.) 25 a 50 stuks per soort uitplanten en verder begeleiden.
Indien het plantmateriaal besteld moet worden, dan kan dit het best in augustus of september gebeuren voor aflevering in het daaropvolgende voorjaar. Oever- en waterplanten uit bestaande sloten die geslecht worden kunnen worden overgeplant naar daarvoor geschikte vijvers en waterlopen.
Naast het aanleggen van een of meerdere proefobjecten verdient het ook aanbevelingen “educatiekwekerij” in te richten. Indien voor de water- en oeverplanten niet de nodige natuurlijke basiselementen aanwezig zijn kan ook d.m.v. dik folie een kunstmatige vijver aangelegd worden . De gewenste plantengroei is eenvoudig door overmaatse bloempotten of kunststofschalen aan te brengen. Het voordeel bij het gebruik van potten en schalen is, dat verschillende plantenmilieus naast elkaar zijn aan te brengen , bv. ‘voedselrijk’ en  ‘voedselarm’. verlandings- en moerasvegetaties enz.
Een ..educatiekwekerij” kan mogelijk bij een schoolwerktuin. kinderboerderij of heempark aangelegd worden. Het verdient aanbeveling een dergelijke kwekerij voor het publiek open te stellen en te betrekken in excursies en lezingen voor scholen en verenigingen. Het overgangsgebied van land naar water biedt bijzonder boeiende aspecten. Een goede voorlichting op dit terrein zal bij velen “de ogen openen” voor alles  “wat leeft en groeit “.  Belagers van het planten -en dierenleven aan en in het water.
Een aantal elementen vormen voortdurend een bedreiging op flora en fauna in en langs waterlopen, vijvers en plassen. Door vaak simpele ingrepen of toevoegingen kunnen daartegen doeltreffende maatregelen worden genomen.
1. Spelevaren;
Het te water laten van rubberbootjes, vlotten ed. vanaf de kant richt op den duur aanzienlijke schade aan de aanwezige oevervegetatie. Door op diverse plaatsen vlonders en trappen aan te brengen worden deze activiteiten plaatselijk geconcentreerd, terwijl de natuurlijke oevers gespaard blijven.
2. Watervogels:
Watervogels, vooral de gecultiveerde en gedomesticeerde zoals zwanen, ganzen en eenden zijn van grote – meest negatieve – i nvloed op de waterkwaliteit. Hun uitwerpselen zijn rijk aan ammoniak en nitraten hetgeen de kwaliteit van het water verslechtert (vervuilingen veralging). Doordat zij van de graskant vreten, de water- en oeverflora graag verorberen, wordt al gauw de beschoeiing ondermijnd, zodat met hoog water en golfslag de grond erachter uitspoelt. Een steriele waterpartij is al snel een feit. Zwanen zijn dol op winterknollen van pijl-kruid (zetmeelhoudend). Particuliere bezitters van watervogels hebben er een handje van nogal eens ganzen en eenden in vijvers uit te zetten als ze er vanaf willen. Overleg met de gemeentelijke dienst zou raadzaam zijn. Meer informatie via de pers aan het publiek over de schade die watervogels kunnen aanrichten en het duidelijk maken dat watervogels niet zomaar uitgezet moeten worden, zou ook het nodige begrip kunnen kweken. (Sier)watervogels kunnen beter ondergebracht worden in daarvoor geschikte vijvers, hertenkampen of op de kinderboerderij. De gedomesticeerde eenden (broodbuiken) in vijvers en waterlopen zijn een groot probleem, waartegen geen afdoende maatregelen zijn te nemen. Mogelijk zou landelijk meer overleg gepleegd kunnen worden om in ieder geval het probleem van de .,bastaard”-eenden tot een oplossing te brengen.
3. Het recreatievissen
Hoewel tegen de recreatievisser geen enkele rancune bestaat, wordt ook van hen verwacht meer begrip op te brengen voor en zuinig te zijn op alles wat leeft en groeit. Het zoeken naar wormen in gazons en tussen beplanting (wortelbeschadiging) veroorzaakt veelal gaten die niet gedicht worden. Ook wordt er vaak gevist op plaatsen waar de visser luwte in de rug heeft. Bestaande begroeiingen worden daardoor zowel in het water ais aan de kant stukgelopen.
Belangrijk is een goed overleg tussen de plantsoenendienst en het bestuur van de visvereniging. Een lidmaatschap ook voor jeugdigen (evt. gratis) wordt aanbevolen .Bij afgifte van de visakte dienen dan voorwaarden gesteld te worden ter voorkoming van vernielingen in plantsoenen. Ook een betere voorlichting m.b.t. het wormensteken. vissen vanaf vissteigers, verhardingen, bruggen en graskanten strekt tot aanbeveling. Aan het bestuur van de visvereniging rust de taak hierop controle uit te oefenen.
4. Vervuiling
Het gebruik van chemische middelen zoals herbiciden, het lozen van afgeweekte oliën (door bv. in de grond gebrachte tanks via het grondwater naar de sloot) en het schonen van tanks met chemische middelen verontreinigen het water in ernstige mate. Ook kan onder bepaalde omstandigheden (bv. bij zware regenval) de riolering d.m.v. riool overstorten in open water terecht komen.
Door het deponeren van vast afval zoals matrassen, oud roest kunnen op den duur deze artikelen door rotting o.i.d. de waterkwaliteit ongunstig beïnvloeden. Andere ongunstige factoren zijn. bronbemaling, gladheidbestrijding d.m.v. zout. ende luchtvervuiling veroorzaakt door verbrandingsresten, uitlaatgassen en gasvormige stoffen van fabrieken e.d. Het zal een lange weg zijn om aan al deze vormen van vervuiling een halt toe te roepen. Het gebruik van herbiciden in en bij waterlopen zou verboden, althans voorkomen moeten worden. Het ophalen van vast afval zou vereenvoudigd moeten worden (bv. via een telefonische melding aan de reinigingsdienst; uiteraard dient men ruime aandacht aan dit soort informatie te besteden).
Een nauwgezette controle op de wet tegen vervuiling van het oppervlaktewater alsmede het aanleggen van een deugdelijk rioleringssysteem met zo mogelijk een gescheiden regenwaterafvoer verdient aanbeveling. Controle op de vervuiling van de oppervlaktewateren door olie is primair een zaak van de kwaliteitsbeheerder in casu het Hoogheemraadschap Uitwaterende Sluizen, zulks volgens de wet Verontreiniging Oppervlaktewater. Het waterschap is wel bij de vervuilings-bestrijding betrokken omdat genoemde verordening voorziet in verplicht overleg tussen de kwaliteits- en kwantiteitsbeheerder m.b.t. het verlenen van vergunningen en ontheffingen. Het toenemende aantal waterzuiveringsinstallaties heeft tot gevolg, dat zich weer een gezonde levensgemeenschap in sloot en plas kan ontwikkelen.
5. Zwemmen
De laatste jaren neemt het zwemmen door de jeugd in vijvers en waterlopen hand over hand toe.
Vele wateren, vooral in West-Nederland moeten tot de voedselrijke (veelal verontreinigde) wateren gerekend worden. Een geringe overbelasting veroorzaakt vrij snel een overmatige ontwikkeling van wieren en algen, die een grote zuurstofconsumptie hebben. Dit proces heeft een massaal afsterven van levende micro-organismen tot gevolg, wat een waterbederf in de hand werkt. Deze “kettingreactie” wordt weer sterk beïnvloed door de temperatuur en regenval. Hoge temperaturen activeren de deling van de micro-organismen zodanig, dat een massale ontwikkeling ervan volgt. Meestal heeft dit een dermate onttrekking van zuurstof tot gevolg dat een massale vissterfte optreedt Tijdens het najaar is er meestal van enig herstel sprake. De lagere temperaturen en een grotere regenval werken een goede ontwikkeling van een bepaalde microfauna in de hand, zoals die van watervlooien en  éénogen. Deze dieren leven grotendeels van wieren en algen, waardoor een beter evenwicht ontstaat . Ais de waterkwaliteit van waterloop en plas onvoldoende bekend is dienen eerst een aantal watermonsters getrokken te worden. Het zwemmen dient in eerste instantie altijd te worden ontraden (botulisme).
Het schonen (= de schouw)
Het schouwdrijven is een zeer oud gebruik, oorspronkelijk in de vorm van een periodieke collectieve controle door het polderbestuur over de waterstaatkundige werken in de polder, meer in het bijzonder de werken, waarvan het onderhoud rechtstreeks aan de ingelanden was opgedragen. De tegenwoordige financiële (= omslagen) der ingelanden geschiedt aanvankelijk in natura. leder kreeg een stuk dijk te onderhouden in evenredigheid tot de omvang van zijn grondbezit en vooral in het begin tevens gelegen voor zijn land. dus vlak bij de hand. Bij niet nakoming van deze onderhoudsplicht werden zware straffen opgelegd door het toezichthoudend orgaan, dat op gezette tijden schouw dreef. In beginsel geldt schouw voor alle waterlopen ongeacht soort, functie of eigendom. Bepalend is of waterlopen liggen in een gebied waarvoor keur geldt, in het algemeen het poldergebied.
Niet ontpolderde woonwijken met waterpartijen en vijvers dienen ook aan de keur te voldoen.
De uitvoering voor zowel de “droge” als “natte”,  schouw vindt één á tweemaal per jaar plaats (keur kan in iedere gemeente variëren); medio juli de kroosschouw (keur op flap en begroeiing in de waterloop en bij in- en uitlaatduikers),  medio november de najaarsschouw. De najaarsschouw omvat alle waterlopen. Het onderhoud geschiedt zowel in handkracht (op moeilijk bereikbare of machinaal niet toegestane plaatsen), als machinaal via b.v. schouwpaden. De onderhoudswerkzaamheden kunnen of door eigen personeel worden uitgevoerd of aan één of meerdere aannemers worden uitbesteed. Uitbesteding geschiedt volgens bestek (met duidelijke omschrijving) waarin de geschatte hoeveelheden zijn vermeld.
Uitbesteding en toezicht van de onderhoudswerkzaamheden aan waterlopen geschiedt meestal door of in overleg met de plantsoenendienst. Een goed contact met andere belanghebbenden zoals het bestuur van het waterschap, de stadsreiniging, de haven- en waterwerken kan erg nuttig zijn. Het slootvuil of heinsel dat op de kant wordt gedeponeerd moet redelijk schoon en van puin, plastics, oud roest e.d. zijn ontdaan. Indien het vrijkomende  “vuil” moet worden afgevoerd dan kan dit o.a. gebruikt worden als:
– afdekking van stukgelopen of afgeslagen waterkanten;
– organische aanvulling in bossingels:
– “bodemversteviging” op zandplekken welke ‘s-zomers als parkeerruimte dienst doen b.v. langs kustgebieden:
– idem. bij strandafgangen:
– humificatie bv. op de kwekerij;
– afdekmiddel op een vuilnisstortplaats.
Het moet mogelijk zijn onderling tot bepaalde afspraken te komen. zoais het dispensatie verlenen t.a.v. de keur in de zomer behoudens het noodzakelijke onderhoud over het verwijderen van sierplanten uit waterlopen en vijvers (zwanebloem bv. is een wettelijk beschermde plant). Het sparen van een rietkraag in sloot en plas tijdens de in het najaar te maaien slootbegroeiingen – indien mogelijk m.b.t. de schouw – geeft in de winter beschutting aan vogels als roerdomp, blauwe reiger e.a.
Materiaal bij onderhoudswerkzaamheden
 Het onderhoud van vijvers en waterlopen kan uitgevoerd worden:
– in handkracht
– machinaal
– biologisch
1. Onderhoud in handkracht
– Baggerpraam (tek. 1) dit is een platbodem vaartuig dat voortbewogen wordt d.m.v. een vaarboom. Voor het baggeren op moeilijk bereikbare plaatsen in vijvers, heemparken en in instructietuinen; de baggerpraam wordt ook gebruikt voor het uitzetten van “onechte” waterplanten in vijvers.
– Kant- baggerbeugel
met deze beugel wordt de bagger opgehaald en op de kant of in de praam gedeponeerd;
– Flap- of krooshaak deze wordt gebruikt voor het ophalen van flap en kroos;
– Kantzeis of de kantzeis wordt gebruikt voor het afslaan van oeverplanten;
– Schoef of snoeimes
voor het haarscherp afritsen van de slootkant:
– Bagger- of boezemschop
Met dit materiaal wordt zowel water als bagger uit de praam gehoosd:
– Zeis- haargereedschap (spit. hamer, strekel)
voor het uitmaaien van slootkanten:
– Lieslaarzen .
– Schouerlap
– Blauw kruikje met koude thee
– Stikkenzak
– Rakker
hiermede trekt men de bagger verder het land op:
– Hoosvat
met het hoosvat wordt het water uit de plecht gehoosd;
– Smakzeis
In brede sloten en tochten worden planten zoals waterpest onder water met de smakzeis afgesneden; daarna wordt de losdrijvende massa met de sloothaak opgevist.
2 Machinaal onderhoud
– Flymo (motormaaier zwevend op een  “luchtkussen”)
het maaien van pas ingezaaide gazons met kleine oppervlakte, taluds, en gras-begroeiing van oevers e.d.;
Maaiboot
hiermee worden vaarten, vijvers, sloten en waterlopen alsmede de taluds ervan gemaaid. De sloten dienen minimaal 1.70 m breed te zijn; Kraan met maaikorf voor het schonen van zowel smalle als brede watergangen; binnen en buiten de bebouwdekom te gebruiken: open bak met snijdende messen te vergelijken met het type vingerbalk. De vegetatie wordt onder het water afgemaaid, zonder dat de plant wordt uitgerukt. Het maaisel met eventueel slibrestanten kan op de kant op hopen gezet worden om even na te zakken of bij een smalle berm gelijktijdig worden afgevoerd.
Kraan met dichte bak deze wordt gebruikt voor het uitbaggeren van de sloot. De kraan neemt grond en plant met wortel en al mee. Trekker met dichte bak deze wordt door de landbouwer veelal gebruikt voor het uitbaggeren van de sloot en het schonen van de kant. Doordat de vaste zode wordt meegenomen, is de walkant sterk aan vernieling onderhevig: vooral planten als de dotterbloem gaan sterk in aanwezigheid achteruit.
– Trekker met wallekantfrees
deze kan zowel binnen als buiten de bebouwde kom gebruikt worden, mits de berm met te smal is (min. breedte 3.00 m). Deze loopt in het voorjaar over de kant om de overgebleven restanten van de schouw fijn te slaan. Het nadeel van deze werkwijze is dat de berm verrijkt wordt en hoger komt te liggen.
3. Biologische waterplantenbestrijding Sedert enige jaren worden in Nederlandse wateren onder auspiciën van de subwerkgroep ..Graskarper” uit de werkgroep ..Watergangen” proeven genomen met een graskarper, afkomstig uit China. De graskarper is een plantenetende (riet. beschermde zwanebloem, gele lis en lisdodden) zoetwatervis. die zich ophoudt in sloten en waterlopen met een minimum constant waterpeil van een halve meter en in water, dat gedurende een periode een temperatuur van 20° Celsius heeft.
In ons land kan de graskarper zich (nog) niet voortplanten volgens de deskundigen, omdat de vis voor opwekking van de paringslust. snelstromend water nodig heeft.
Als alternatief voor zowel de chemische als mechanische bestrijding van de waterplant wordt door proefnemingen nagegaan of het in de toekomst mogelijk zal zijn de graskarper in groter verband uit te zetten in sloten en watergangen teneinde de jaarlijkse onderhoudskosten van het hein- en krooswerk te drukken. Ondanks de positieve publiciteit van deze proefnemingen is het goed zich af te vragen, wat de onderzoekers drijft om naast de terugkerende schouw nog andere maatregelen te nemen. Noch bioloog, noch milieudeskundige verzet zich tegen de invoering van deze “milieuvreemde” vis.
Blijkbaar heeft het verleden ons mensen toch te weinig geleerd. Enkele voorbeelden:
– De invoering van het konijn in Australië veroorzaakte daar een plaag door het gebrek aan natuurlijke vijanden. De graslanden werden er kaal gevreten waardoor eigen inheemse dieren van honger omkwamen.
– De invoer van de konijnenziekte (myxo-matose) in West-Europa veroorzaakt sinds 1954 een massale sterfte bij deze dieren.
– Het uitzetten en laten ontsnappen van waterplanten als watersla en waterpest hebben zeer veel hinder veroorzaakt in de Nederlandse wateren ook ten gevolge van een explosieve vermeerdering en massale groei.
in deze situatie kan men stellen, dat vanwege de enorme vraatzucht van de vis. de  “echte” waterplanten, die o.a. helpen de kwaliteit van het water gezond te houden (te reinigen), die voedsel en bescherming bieden aan de waterfauna en ook de ..onechte” waterplanten met hun talrijke functies gedoemd zijn te verdwijnen.
Welke zin heeft het bouwen van dure waterzuiveringsinstallaties, die o.a. sterk verontreinigd slootwater zuiver maken en er vooral ook zijn voor vis en plant, die een onderdeel zijn van de totale leefgemeenschap in het water. Waarom is de zwanebloem een beschermde plant? En als de waterplanten geconsumeerd zijn. worden de graskarpers dan bijgevoerd met gras zodat ze mogelijk voor de consumptie gebruikt kunnen worden?
De “aangeprezen” methode om eventueel in de toekomst sloten en waterlopen te laten schoonvreten door een graskarper, dient te worden ontraden.
Naast de 3 omschreven werkmethoden om waterlopen en vijverpartijen te schonen bestaat ook nog een vierde – de chemische -. echter het spreekt voor zich dat voorstanders m.b.t. het toepassen van Inheemse Flora deze methode van onderhoud nooit kunnen en willen aanbevelen. Een behandeling van de chemische onderhoudsmethode zal in dit artikel dan ook achterwege blijven. Voorkeur krijgt de onderhouds-methode in handkracht omdat bij deze werkmethode het meest selectief gewerkt kan worden. Voor grote werken wordt dit uiteraard een arbeidsintensieve aangelegenheid. Als goed alternatief geldt dan ook het mechanische onderhoud met de veegboot of, indien de kant voldoende stevigheid biedt, d.m.v. de kraan met maaikorf. Met deze laatste kan ook selectief worden gewerkt. Een goede eigenschap van de maaikorf is dat hij plantenwortels spaart en zeker geen plantenresten uitrukt.
Indien de 8 uitgangs-stellingen van dit artikel ter harte worden genomen en als uitgangsvisie gelden bij het beheer van vijvers en waterlopen dan zal het alleszins duidelijk zijn – ook naar aanleiding van reeds eerder genoemde redenen – dat de biologische onderhoudsmethode met behulp van de vraatzuchtige “‘graskarper” ten stelligste dient te worden ontraden.
Met dit artikel is getracht een beter begrip te kweken voor niet alleen de schoonheid maar ook de noodzaak van een evenwichtige samenleving van flora en fauna zowel in, langs als voor het water.
En met het water, ons leefmilieu!
Literatuur:
Voor toepassing van een uitgebreider sortiment voor heemparken, instructieve tuinen, enz. raadplege men het boek: Wilde plantentuinen van J. Landwehr en C. Sipkes
Natura. sept. 1977. Tegenstrijdigheden door J. Landwehr
Rapport inzake de waterhuishouding in de gemeente Amstelveen, november 1972. J.Landwehr
Meulenhofs Natuurgids, Amsterdam Jaarverslag 1976 van de Nederlandse Vereniging van Sportvisser Federatie (graskarper) Tuinen deel 3. Techniek van aanleg en onderhoud. Pannekoek en Schipper; Kosmos. Amsterdam
Wat vind ik in sloot en plas. Prud’homme van Reine. Thieme en Co. Zutphen Sloot en plas. Dr. W. P. Postma en Ruting: Meulenhof, Amsterdam
Wilde planten deel 1. 2 en 3. uitgave Natuur-monumenten
Waterschapsbelangen. orgaan van Unie van Waterschappen
Onderhoud en beheer van open waterlopen; rapport van de werkgroep onderhoudstechnieken open waterlopen, juli 1976 Plantengemeenschappen van Nederland. V. Westhof en den Held; Thieme en Co. Zutphen Een schone sloot is niet zo mooi. P. Zonderwijk. Natuurbehoud mei 76.